T 571: P. Krishna 

23/05/2003

INNERLIJKE EN UITERLIJKE VERANDERING.

Vrienden,

 Vanmorgen hebben we gezien dat onze maatschappij zich gesteld ziet voor een aantal diepgewortelde problemen. Sommige van deze problemen zijn van  recente oorsprong, terwijl andere, zoals oorlog, ons sinds duizenden jaren achtervolgen. Ik wil  het hebben over de manier waarop we deze problemen tot een einde zouden kunnen brengen, hoe we een maatschappelijke transformatie in gang kunnen zetten. We zouden enerzijds deze problemen vanaf de buitenkant kunnen aanpakken en vervolgens hopen dat deze uiterlijke verandering een verandering in de mens met zich meebrengt, in het bijzonder in de levenshouding.  Anderzijds zouden we kunnen proberen een transformatie te bewerkstelligen in het individu in de hoop dat dit een transformatie in de maatschappij op gang brengt. Met andere woorden, de vraag die nu centraal staat is: hebben maatschappelijke veranderingen een innerlijke verandering tot gevolg, en veroorzaakt een innerlijke verandering, wijzigingen op het uiterlijk gebied ?

De communisten hebben getracht de maatschappij te veranderen van buitenaf. Ze probeerden  gelijkheid te creëren door iedereen dezelfde voordelen te bieden, hetzelfde salaris enz.  Ze probeerden tevens elk geloof in God uit te bannen en elke  vorm van religie in de samenleving te voorkomen door deze wettelijk te verbieden. Tegelijkertijd werd door de staat getracht kwalijke zaken zoals prostitutie en misdaad te onderdrukken door het opleggen van zeer strenge wetten. Gedurende bijna 70 jaar zijn we getuige geweest van dit experiment in zowel Rusland als in de satellietlanden. Aan het eind van deze periode was er echter geen belangrijke verandering van het individu in Rusland te zien, en de maatschappij is er niet vrij van misdaad, prostitutie of enige andere vorm van kwaad welke men van buitenaf trachtte te onderdrukken.

In de zogenaamd democratische landen hebben we ook getracht met misdaad om te gaan door het installeren van een politiemacht en een systeem van wetgevingen en rechtbanken die de misdadiger moeten bestraffen.  Dit alles heeft misschien de uiting van  misdaad  in bepaalde mate in toom gehouden, maar dit heeft er niet voor kunnen zorgen dat de misdaad totaal verdwenen is.  Het is dus duidelijk dat externe controle alleen effect heeft op de symptomen, de manifestatie van de kwaal, maar het geneest die kwaal niet. De mens heeft ook zijn eigen geweten bij wijze van  “innerlijke politieman” gebruikt en geprobeerd om het geweld – waaronder hebzucht, woede en haat - in hemzelf zowel als in anderen te beheersen. Hij heeft getracht om de geboden en verboden van zijn specifieke religie te volgen, maar hij heeft voortdurend gefaald om volgens deze idealen te leven.  Een van buitenaf opgelegde discipline lost klaarblijkelijk het probleem niet op vanuit de wortel; het beheerst enkel het verschijnsel.

Daarom is het eigenlijk niet redelijk van ons om een fundamentele transformatie te verwachten in de maatschappij ten gevolge van veranderingen opgelegd door de regering of door een religieuze autoriteit en preken, die tot dusver de mensheid niet hebben kunnen veranderen. Want de maatschappij is zoals zij is, omdat wij zijn zoals wij zijn. Dus onze verwachting dat de maatschappij fundamenteel kan veranderen, zonder dat wij veranderen lijkt niet erg redelijk. Toch hebben we dat al die tijd geprobeerd in alle samenlevingen ter wereld. We gaan ervan uit dat een nieuwe organisatie, een nieuwe regeringsvorm, een ander wetstelsel of een nieuwe religie automatisch vrede, harmonie, geweldloosheid en welvaart zullen brengen in de maatschappij. Er zijn reeds grote religieuze leraren geweest en grote politieke leiders maar uiteindelijk bevindt onze samenleving zich nog steeds in de staat die ik  beschreven heb.[1][1]

Ik denk dat het belangrijk is om inzicht te krijgen in de relatie tussen het individu en de maatschappij. Een samenleving is ten slotte een verzameling van miljoenen individuen. Als iedereen gewelddadig, hebzuchtig, egocentrisch en hatelijk is, is het dan mogelijk om  een vreedzame, harmonieuze samenleving tot stand te brengen waarin geen misdaad of geweld bestaat? We kunnen het geweld in bepaalde richtingen beheersen, maar dit zal ontegenzeggelijk in andere richtingen uitbarsten. De manier waarop het geweld zich manifesteert in een vrije democratische maatschappij verschilt van die in een communistische maatschappij maar in geen van beide gevallen verdwijnt het geweld. We kunnen bepaalde manifestatievormen verkiezen boven andere maar men kan als samenleving niet vrij zijn van geweld tenzij de individuele mensen ophouden gewelddadig te zijn. Het is enigszins vergelijkbaar met chemie: we leren studenten dat als je calcium, koolstof en zuurstof atomen bij elkaar brengt, geeft dat calciumcarbonaat. De eigenschappen van die stof worden bepaald door de eigenschappen van de samengestelde elementen. Op dezelfde manier worden de eigenschappen van de samenleving bepaald door die van de individuen die er deel van  uitmaken. Dat is ook de reden waarom er fundamenteel slechts zeer weinig verschil is tussen de ene maatschappij en de andere. De problemen van groepsvorming, geweld, conflict en ecologische onevenwichtigheid waarover wij vanochtend spraken, bestaan in iedere samenleving. Deze problemen kunnen nadrukkelijker  aanwezig zijn, nu eens in  de ene, dan weer in de andere samenleving, maar dat is slechts een kwestie van omstandigheden. Als ieder individu gewelddadig is dan creëer je in de samenleving een zee van geweld en dan kan er een storm opsteken, nu eens in Kashmir, dan weer in Ierland, soms  in Joegoslavië, maar de mogelijkheid van een storm is overal aanwezig.

Krishnamurti gaf eens een voordracht in Varanasi, kort na de moordaanslag op Gandhi, en men stelde hem de vraag: “Wat heeft tot de moord van Gandhi geleid ?” En hij antwoordde: “Ieder van jullie die zich afgescheiden opstelt door kaste, religie of taal etc, is verantwoordelijk voor die moord.” Volgens de wet is uiteraard diegene verantwoordelijk die de trekker overhaalde, en dat is dan ook degene die gearresteerd wordt en opgehangen. Maar welke factoren hebben deze mens voortgebracht? Een kind wordt niet als moordenaar geboren; het is de maatschappij die een misdadiger van hem maakt. Zo maakt aan de ene kant de samenleving criminelen, en aan de andere kant ontwerpt ze een mechanisme om van criminelen af te raken ! Op dezelfde manier scheppen we door haat en verdeeldheid de oorzaken van oorlog en hebben we tegelijkertijd  een organisatie als de Verenigde Naties in het leven geroepen wiens taak erin bestaat om oorlog te voorkomen. Dit zelfde zie je ook  in onze eigen individuele levens. Als ik gewelddadig ben dan wil ik geweldloosheid beoefenen. Ik schep een idee van geweldloosheid en ik probeer de uiting van geweld in mijzelf te onderdrukken. Maar echte geweldloosheid is niet alleen een kwestie van iemand niet slaan. Ieder gevoel van haat  in onszelf is evenzeer geweld. Wanneer noemen we een gevecht overigens “oorlog” ?  Wanneer groepen mensen elkaar haten dan is er reeds sprake van psychologische oorlogsvoering maar we noemen het slechts oorlog wanneer deze haat tot een bepaalde uiting komt, bijv. beschietingen en luchtaanvallen. Tegen de psychologische oorlogsvoering maken we eigenlijk geen bezwaar, maar wel tegen de fysieke uitdrukking ervan. Op dezelfde manier maken we geen bezwaar tegen verdeeldheid tussen mensen, maar wel wanneer er onderling relletjes ontstaan.

De mate waarin geweld zich voordoet is afhankelijk van bepaalde omstandigheden. Wanneer de haat onhoudbare hoogten bereikt zijn fysieke moord en geweld het gevolg. Recent is de oorlog in Irak en deze werd vermoedelijk uitgevoerd om problemen op te lossen. Duizenden mensen zijn echter in dat proces omgekomen en het volk vindt dat hen gigantisch onrecht werd aangedaan. Deze haat in de mensen zaait reeds het zaad voor de volgende oorlog. Als je oorlog vanuit historisch perspectief bestudeert, zie je dat iedere oorlog het zaad heeft gezaaid voor de volgende. Daarom wordt wel eens gezegd dat oorlog begint in de geest van de mens. Echter, we kijken niet naar oorlog op het geestelijk vlak maar naar de uiterlijke manifestatie ervan. Het is alsof je voortdurend bulten krijgt op verschillende delen van je lichaam en je via medicijnen probeert om één voor één van de bulten af te komen, zonder je evenwel af te vragen hoe het komt dat je over je hele lichaam bulten krijgt! Ook kunnen de uiterlijke middelen die we vervaardigen om met de problemen om te gaan, in zekere mate het probleem zelf in stand houden. Als er geen dokters waren om ons te genezen, dan zouden we veel voorzichtiger zijn met het behouden van onze gezondheid en ons lichaam in goede conditie houden. Maar nu kunnen we ons een spilziek leven veroorloven en als het lichaam het niet meer aankan dan is het de taak van de dokter om dit te verhelpen. Het medisch systeem helpt  niet alleen om ziekten te genezen, maar het helpt ons ook bij het doorgaan met een  foutieve levensstijl. En zo nemen we evenmin verantwoordelijkheid voor het ontstaan van oorlogen of het voortbrengen van criminelen in de maatschappij. Daarom komt er geen eind aan onze problemen. Zolang we ons tevreden stellen met een oppervlakkige benadering en beheersing van die problemen, zullen ze nooit opgelost worden; zolang de diepere oorzaak niet wordt weggenomen zal het gevolg blijven bestaan.

Vandaar dat een grondige transformatie van de samenleving alleen maar mogelijk is via een transformatie van de individuele mens. En het individu verandert niet alleen op basis van een wijziging in zijn ideeën. Soms schijnt het ons toe dat een mens met communistische ideeën erg verschilt van een mens met kapitalistische of democratische ideeën. Bekijk je beiden van iets dichterbij, dan zie je dat er toch niet zo’n groot verschil tussen hen bestaat. Allebei zijn ze hebzuchtig, egoïstisch, willen ze slagen in het leven, rijkdom vergaren, zich omringen met comfort, en zijn ze ambitieus, alleen de ene wil dit allemaal bereiken op de ene manier, en de andere op een andere manier. Er bestaat een grapje hierover, en dat ik graag met jullie wil delen. Het grapje vertelt dat Breshnjev’s moeder zeer oud was en in haar dorpje leefde. Hij was erg dol op haar en dus ging hij elk weekend naar haar toe om haar te bezoeken. Zij had een geweldige affectie voor hem en daarom vroeg ze hem vaak: “Lief, heb je genoeg te eten ?” En hij verzekerde haar dan: “Mamma, maak je geen zorgen, de graanschuren zitten vol en ik kan zoveel eten als ik wil.” “Ja, mijn jongen, maar heb je een auto om je te verplaatsen ?” En hij antwoordde: “Natuurlijk Mamma, ik heb een hele vloot  auto’s ter beschikking waaruit ik elke auto kan kiezen die ik wil.”  “Maar heb je dan een huis om in de leven ?” En hij zei: “Maar ja Mamma, ik woon in een huis als een paleis zo groot, met wel 20 slaapkamers met badkamer, dus moedertje, maak je nu maar geen zorgen. Je kunt altijd bij mij komen wonen.” “Ja, mijn jongen, maar wat gebeurt er als de communisten komen ?” Hij leefde als de Tsaar, hoewel hij het boegbeeld was van de communisten.

Beoordeel dus nooit iemand op woorden of ideeën. Het wezen van de mens schuilt in het bewustzijn. En om in het wezen van iemand door te dringen, moet hij ontdaan worden van alle bezit en goederen, zowel materieel als mentaal, te weten de kennis en gedachten in zijn hoofd. Dan pas krijg je het bewustzijn van die mens te zien. En dit bewustzijn hangt af van de wijsheid waarover hij beschikt. Je kunt zowel wijze mensen als gewelddadige en onwetende mensen vinden in alle culturen en religies. We hechten enorm belang aan iemands geloof of iemands ideeën maar zijn deze echt zo enorm relevant ? Heeft het belang om van een wijze, liefdevolle, geweldloze en meedogende mens te weten of hij hindoe, jood, christen of atheïst is ? En is het belangrijk om te weten of een bekrompen, zelfzuchtig, hatelijk en gewelddadig iemand hindoe, moslim, christelijk of atheïst is ?

Graag zou ik jullie een parabel willen vertellen. Jezus Christus had nog nooit een voetbalwedstrijd gezien. Dus vraagt hij Petrus: “Kun je me mee nemen om samen naar een voetbalwedstrijd te gaan kijken.” “Uiteraard mijn Heer”, antwoord Petrus, “ik zal ervoor zorgen.” En zo nam Petrus hem mee naar een Ierse voetbalmatch waarin de Katholieken speelden tegen de Protestanten. Christus keek zeer geamuseerd en geïnteresseerd naar de voetbalmatch en de Katholieken maakten de eerste goal. En Jezus was door de dolle heen, klapte in zijn handen, gooide zijn hoed hoog in de lucht en riep: “Hoera!” Het spel zette zich voort en Jezus volgde het spel opnieuw met grote interesse. Toen maakten de Protestanten een goal. Opnieuw was Jezus door de dolle heen, klapte in zijn handen en gooide zijn hoed hoog in de lucht en riep: “Hoera!” En man die vlak achter hem zat was hoogst verbaasd over zijn gedrag, klopte hem op zijn schouder en vroeg hem: “Ogenblikje, meneer, aan welke kant staat u eigenlijk ?” En Jezus antwoordde: “Ik sta aan geen enkele kant, ik geniet gewoon van het spel.” De man bekeek hem even  en zei: “O, dus u bent atheïst!”

Dat gebeurt er wanneer we zeer veel aandacht besteden aan etiketten. We hebben etiketten geplakt op mensen – Islamieten, Christenen, Hindoes, Amerikanen, Indiërs, Britten etc. Dit etiket verandert niets aan de mens zelf! Ik kan mij morgen aansluiten bij een Christelijke kerk en Christen worden maar dat verandert niets in mijzelf. Er vindt slechts  dan een fundamentele verandering in de mens plaats wanneer zijn bewustzijn wordt getransformeerd van binnenuit. Bewustzijnsverandering is niet hetzelfde als verandering van ideeën.

Uiteindelijk kan een professor in de filosofie alles weten over de Boeddha, wat de Boeddha onderwezen heeft, of wat Jezus onderwezen heeft, maar hij heeft daarom nog niet de liefde en het mededogen van Jezus, en hij is nog niet vrij van geweld zoals de Boeddha.

De religieuze zoektocht is daarom geen intellectuele zoektocht maar een zoektocht naar bewustzijnstransformatie. Slechts wanneer je het geweld in je bewustzijn hebt kunnen opheffen, ben je werkelijk geweldloos. Wanneer we trachten onszelf discipline op te leggen, dan wil dat in feite zeggen dat we lui zijn, want waarom zou je jezelf discipline opleggen als je niet lui bent ? Op eenzelfde manier probeer je moed te ontwikkelen alleen wanneer je bang bent. Immers, als je niet bang bent, waarom zou je dan moed moeten ontwikkelen ? In werkelijkheid zijn we dus het tegenovergestelde van dat wat we trachten te ontwikkelen en dat is geen intelligente manier van transformatie. Laten we naar de feiten kijken. Het is een feit dat er geweld zit in mij. Dat feit heeft een oorzaak. Als ik die oorzaak wegneem, dan verdwijnt het geweld in mij vanzelf. Het is net als wanneer je herhaaldelijk ziek wordt, dan heeft dat steeds een oorzaak en wanneer je deze oorzaak ontdekt en  wegneemt dan verdwijnt de ziekte. Dus wanneer ik onvoldoende energie heb en me lui voel, dan moet ik eerder de oorzaken van dat luie gevoel opsporen en die wegnemen, om zo actie en energiek optreden te bevorderen. Anders blijf je gevangen in het heen en weer slingeren tussen tegengestelden en daarin schuilt geen echte transformatie.

Zolang er geen transformatie van bewustzijn plaats vindt in het individu, vindt er evenmin transformatie plaats in de samenleving. Daarom zien we geweld in bijv. de christelijke maatschappij, de hindoe maatschappij of de joodse maatschappij. Het geweld verdwijnt niet door  geloofsconcepten. De verdeeldheid die we voelen tussen onszelf en de andere mensen is slechts gebaseerd op het belang dat we hechten aan etiketten, aan benoeming. Feitelijk  verschillen we in niets van al die anderen. We beelden ons alleen maar in dat we enorm verschillen. Een mens is zowel lichaam als bewustzijn. Zijn we verschillend van lichaam ? We kunnen deze vraag voorleggen aan een bioloog of een dokter en hij zal ons vertellen dat alles hetzelfde is bij iedereen, de bloedcirculatie, de ademhaling, de wijze waarop je organen functioneren etc. Maar uiterlijk kan de huidskleur verschillen, het haar ook, omdat we leven in verschillende klimaten. Ook kunnen we onszelf de vraag stellen of we dan zo erg verschillen op het vlak van bewustzijn. Je zou die vraag aan een psycholoog kunnen voorleggen en hij zal zeggen dat in wezen onze instincten dezelfde zijn, net als onze gevoelens van angst of zorgen, van verlangen, jaloezie, of bezitterigheid hetzelfde zijn bij alle mensen. Alleen de kleine complexen in iemands leven verschillen een klein beetje van die van iemand anders. In wezen zijn we dus broeders, en niet verschillend van elkaar. En het verschil dat we voelen is gebaseerd op illusie die weer voortkomt uit de eigen verbeelding en neiging om veel belang te hechten aan een paar onbenullige details. De universele broederschap van mensen is dus niet iets dat in de toekomst bereikt moet worden, maar het is een feit dat we nu moeten zien!

Als we ons de broederschap der mensheid voorstellen als een doel voor de toekomst, dan geven we ons zelf daarmee de toestemming om verdeeld te blijven tot op dat moment. De Boeddha zei : “Twee menselijke wezens verschillen slechts van elkaar, als twee kaarsen van elkaar verschillen, en dat verschil is niet meer dan het verschil tussen de kaars nu en een half uurtje geleden.” Ziet u, wat is het verschil tussen u en mij ? We hebben 1 miljoen jaar aan evolutionair verleden gemeen, daarom zijn onze instincten dezelfde, en functioneren ons lichaam en onze emoties op dezelfde manier. Maar vanaf uw geboorte tot nu hebt u verschillende ervaringen opgedaan dan ik en daarom zitten er andere ervaringen in uw geheugen opgeslagen dan bij mij. En ik heb op mijn beurt andere ervaringen opgedaan waardoor er andere ervaringen in mijn geheugen werden opgeslagen. Maar tien jaar geleden had ik nog niet die ervaring die ik de laatste tien jaar heb opgedaan. Het verschil tussen deze Krishna van vandaag en die van tien jaar geleden ligt in het geheugen en dat is dan ook meteen het verschil tussen u en mij. Feitelijk is er dus niet zo’n gigantisch verschil tussen u en mij. Het gevoel van verschil en afgescheidenheid is een illusie en komt voort uit het feit dat ik mijzelf geïdentificeerd heb met dit lichaam en deze geest, en dat u zich geïdentificeerd hebt met uw lichaam en uw geest. Wanneer ik mijzelf identificeer met iets en ik noem het “van mij” dat wordt dat ding heel belangrijk in mijn bewustzijn omdat het mijn eigendom is, mijn religie en mijn opinie. Het belang komt dus niet door het verschil, maar door dit toe-eigenen, en dat is een actie van het ego.  Dit ego nu, is onze eigen schepping. En omdat het onze eigen schepping is, kunnen we het ook weer ongedaan maken. Iets wat de natuur geschapen heeft,  kan ik niet ongedaan maken, ik kan alleen dat ongedaan maken dat ontstaan is door mijn eigen inbeelding. Ik kan namelijk leren niet te scheppen. Maar dan moet ik wel uitvinden hoe mijn eigen gedachten functioneren en hoe mijn gevoelens in mij opkomen. Dit proces van zelfontdekking over hoe we functioneren kunnen we niet ondergaan door een boek te lezen, omdat boeken  slechts ideeën aanreiken. Het proces vraagt om zelf observatie. Ideeën uit een boek kunnen nuttig zijn, vooropgesteld dat we ze benaderen als vragen. Als ik echter accepteer wat de Boeddha heeft gezegd, dan wordt het alleen maar een idee voor me. Stel ik mijzelf de vraag, “wat bedoelde de Boeddha hiermee ?” en ik wil de waarheid achterhalen van hetgeen hij gezegd heeft, dan dien ik dit eveneens te onderzoeken in mijn eigen leven en  de waarheid hiervan opnieuw te ontdekken.

Ik las een interessant commentaar van Krishnamurti. Hij zei: “Boeddhisme bestaat omdat niemand echt begreep wat de Boeddha zei.” Als je echt grondig begrijpt wat Jezus zegt, waarom heb je dan het Christendom nodig ? Het Christendom bestaat om een christen van je te maken en om je duidelijk te maken wat Christus zei. Maar van wie leerde Jezus ? Van wie leerde de Boeddha ? Ze leerden alles zelf. Een fundamentele waarheid kan niet van iemand anders geleerd worden omdat dit type leren zich op het niveau bevindt van de waarneming en niet op het niveau van de ideeënvorming. Noch een boek noch een ander mens kan je de waarheid schenken. Kennis is slechts de idee van de waarheid. De idee van de waarheid   verschilt totaal van de waarneming ervan. Alleen de waarneming van de waarheid kan de illusie in het verstand beëindigen. En alleen het beëindigen van de illusie kan het bewustzijn werkelijk transformeren.

Als ik de illusie van het kastenstelsel koester, omdat ik opgroeide in de Indiase samenleving, dan bekijkt mijn geest de mensen vanuit dat kastenstelsel en kijkt het neer op de shudra en kijkt het op naar de Brahmin. Wanneer ik mezelf van deze illusie bevrijd heb dan benader ik de mensen anders; dan ben ik niet geïnteresseerd om te weten tot welke kaste iemand behoort. Wanneer er geen etiket is dan moet ik  naar de mens zelf kijken en kom ik in contact met het wezen van die mens, en niet met zijn beeld. Dat is het probleem van het mens zijn : we kunnen iemand haten die we zelfs nog nooit hebben gezien, met wie we geen ruzie hebben, alleen maar omdat iemand ons vertelde dat hij Islamiet is, of Hindoe of Jood. We kunnen haat in ons bewustzijn oproepen op basis van ideologische verschillen. En omdat dit op ideologie gebaseerd is, kan het ongedaan worden gemaakt. Je kunt zien welke schade de ideologie aanricht en weigeren nog langer die ideologie aan te hangen. Dat noemen we zelfkennis – wanneer je het foute of het gevaar van een illusie onderkent en  daardoor valt die illusie weg. Wanneer dat gebeurt, heeft dat inzicht je bewustzijn werkelijk getransformeerd, en niet alleen gecontroleerd. Zo zit de zoektocht naar zelfkennis in elkaar en alleen in deze zelfkennis ligt wijsheid. Wijsheid transformeert het bewustzijn, kennis niet.

De leraar in de Boeddhistische filosofie is in zijn bewustzijn identiek aan elke andere mens. Het grootse aan de Boeddha zijn niet de voordrachten die hij gaf. Ook al had hij geen voordrachten gehouden, dan zou hij nog groots zijn. Het bijzondere aan de Boeddha was dat hij dat bewustzijn ontdekte dat een einde maakte aan zorgen, geweld en haat in hemzelf. Hetzelfde geldt voor Jezus of de andere wijze mensen waarover we het gehad hebben. Socrates overwon zelfs de angst voor de dood. Een mens kan zichzelf dus bevrijden maar deze bevrijding vereist de zoektocht naar zelfkennis. Zonder die zelfkennis is er geen werkelijke verandering of transformatie van bewustzijn. En zolang het bewustzijn niet verandert, kan het individu niet veranderen. En zolang er geen verandering optreedt in het individu, kan er geen fundamentele verandering ontstaan in de maatschappij. Je kunt je wegen en je badkamers vernieuwen maar je zult op die manier niet van de haat in je hart afkomen. Zoals we vanmorgen zagen, ligt het probleem niet in de badkamer, het probleem is de haat in het hart, het is de afgescheidenheid.



[1][1] Misschien hier verwijzing inlassen naar hetgeen bedoeld wordt met “de staat die ik vanmorgen beschreven heb”.