T 573 nl
P.Krishna 3
Kan er relatie zijn zonder conflict?
Gisteren zeiden we dat de wanorde die we in de maatschappij zien een projectie is van de wanorde die in ons bewustzijn aanwezig is.
Het geweld en het conflict dat we in de samenleving om ons heen zien is een projectie van het geweld en het conflict in mijn relaties. Ik kan de diepere oorzaken daarvan begrijpen door naar mijn eigen leven en bewustzijn te kijken. Wat daar buiten gebeurt verschilt niet erg van wat er in mij omgaat, behalve in de omvang van het gebeuren.
Ik wil vanmorgen praten over de mogelijkheid van het hebben van een relatie zonder conflict. Het is niet belangrijk om het antwoord op deze vraag te vinden door boeken te lezen, omdat dat slechts een mening zal vormen over de vraag of het mogelijk of niet mogelijk is en we zagen gisteren dat een mening niet de waarheid is, maar slechts een idee. Het is dus belangrijk om die vraag met een open geest te onderzoeken in ons dagelijks leven en dat wil ik vanmorgen in deze sessie doen.
Ik vraag me af hoe een conflict ontstaat in mijn relaties en ik vraag me ook af wat ik met relatie bedoel. Ik heb een relatie met die bloemen daar, want als ik naar hen kijk dan is er een respons vanuit mijn bewustzijn. Ik heb een relatie met de hemel, de bergen en de natuur.
Op dezelfde manier heb ik een relatie met mensen. Ik heb een relatie met boeken en ideeën, omdat als ik er mee in contact kom er een respons is vanuit mijn bewustzijn. Ik gebruik dat woord relatie dus in die zin. Als we het woord relatie in die zin gebruiken, dan kunnen we zeggen dat leven relatie is. Vanaf de dag dat we geboren worden tot de dag dat we sterven staan we in relatie met alles om ons heen. Laat ik beginnen met te onderzoeken of er een conflict is in onze relatie met de natuur. We kunnen opmerken dat er erg weinig conflict is in onze relatie met de natuur.
Het is veel makkelijker om een relatie te hebben met je tuin of met je huisdier dan met je buurman, omdat er geen ego in de natuur aanwezig is. Maar af en toe wanneer ik iets wil doen, gaan picknicken bijvoorbeeld, en het weer verslechterd en het regent en ik niet kan gaan, dan houd ik niet van de natuur. Ik houd er niet van dat de natuur mijn plannen verhindert. En als ik ziek word en niet naar mijn werk kan gaan, dan voel ik ook een bepaalde vorm van conflict. Maar het is relatief gemakkelijk om dit conflict te accepteren, omdat we natuurlijke gebeurtenissen accepteren als iets wat ons niet vijandig gezind is.
Vervolgens is er een conflict in mijn relatie met dingen en met ideeën. Als ik aan dingen gehecht raak, merk ik dat ik bang ben ze te verliezen, die angst veroorzaakt conflict. En op dezelfde manier gaat het wanneer ik gehecht raak aan sommige ideeën, en een bepaalde kijk heb op de dingen, dan heb ik een hekel aan mensen die andere ideeën hebben. Ik heb een hekel aan boeken die er andere meningen op na houden en dat veroorzaakt weer conflict. Ik vind het veel prettiger om in een gezelschap te verkeren dat het met me eens is dan met mensen die dat niet zijn. Dat schept een zekere hoeveelheid conflict in de relatie. En als ik iets wil doen in het leven en iemand anders houdt me daarvan af, dan heb ik een conflict en voel ik me woest omdat ik hem wil verwijderen aangezien hij tussen mij en mijn doel komt. Ik zie dus dat er een conflict ontstaat in al mijn relaties. En ik vraag me af: hoe kan er relatie zijn zonder conflict?
Als we ons in een situatie bevinden waar iets onmogelijk lijkt, dan moeten we ons zelf altijd afvragen of we die vraag verkeerd benaderen. Benader ik het leven verkeerd? Benader ik alles in het leven met een bedelaarsnap, door iets voor me zelf te vragen? Weet u, de bedelaar is heel eerlijk. Hij zegt, ik heb geld nodig. Hij houdt zijn hoed voor zich uit en zegt:”als u wat geld kunt missen, geef het mij alstublieft.”En ik vraag me af, ben ik ook zoals die bedelaar, draag ik verschillende onzichtbare bedelnappen bij me en vraag ik of er iets in deze nappen gedaan kan worden. Er is een nap die zegt, geef mij plezier. Er is een andere nap, die zegt, geef me waardering. Een derde zegt, geef me geld, een vierde zegt, troost me. En als iemand iets in die nap doet, dan zeg ik: vriend. En als iemand iets uit die nap haalt, dan noem ik hem: vijand. Ik zie dat zolang ik het leven benader met al die nappen, ik zelf vrienden schep als mensen die voor mij zijn en vijanden als degenen die tegen mij zijn.
Zolang ik het leven op deze manier benader, is conflict onvermijdelijk. Ik kan misschien wel de uiting van dit conflict beheersen, ik kan er op toezien dat het niet resulteert in lichamelijk geweld en oorlog, ik kan het misschien beheersen, maar het begint met dat gevoel waar mee ik leef : het voor of tegen iemand zijn. Als ik echt wil uitzoeken of er leven bestaat zonder conflict dan moet ik uitzoeken of het mogelijk is om met geen enkele nap te leven; om niet iets te benaderen met de intentie wat voor me zelf te vragen, en dat betekent vrij zijn van verlangen. Kennen we die staat van zijn, zelfs al is het maar gedeeltelijk? Met andere woorden vraag ik, benader ik een ander altijd omdat ik iets nodig heb, omdat ik iets van hem wil, of is er echte vriendschap in mijn relatie met andere mensen?
Een echte vriend komt niet naar ons toe omdat hij iets van ons wil. Hij wil alleen maar de fijne en verdrietige dingen van het leven met ons delen. Er is geen bedelnap als ik gewoon maar mijn leven met een ander wil delen. Maar als mijn relatie gebaseerd is op wederzijdse bevrediging, dan is het geen relatie uit vriendschap of liefde.
Ik vraag me af of het mogelijk is alles op die manier te benaderen? Kunnen we op die manier met de natuur omgaan, door eerbied te hebben voor een boom en onze relatie met de boom te waarderen, ongeacht of hij ons vruchten geeft of niet? Kunnen we op die manier met rivieren en bergen omgaan, zonder naar ze te kijken als bron van elektriciteit of materieel gewin? Wanneer ik de natuur inga, ga ik dan als vriend, of vraag ik iets voor me zelf? En ik merk dat ik soms als vriend ga en soms wanneer ik gespannen ben, ga ik om tot rust te komen. Zo gaat het ook met onze relaties, soms willen we alleen maar delen met elkaar, maar andere keren gaan we die relatie aan om vervulling voor onszelf te zoeken.
Hetzelfde geldt ook voor ons werk, soms doe ik iets gewoon omdat ik er plezier in heb en op andere momenten doe ik het omdat ik iets wil bereiken, om er zelf beter van te worden. Als ik het doe vanwege het plezier wat ik er aan heb, noem ik het een hobby. En als ik het doe om er geld mee te verdienen of om er macht of positie, status en reputatie door te krijgen, dan noem ik het ambitie. Gewoonlijk associëren we dit laatste met ons werk.
We vinden het werk enorm belangrijk en we beschouwen hobby als iets wat we er bij doen, in onze vrije tijd. We moeten ons zelf eens serieus de vraag stellen, waarom niet al het werk ook als hobby beschouwd kan worden, zodat werk niet los van vreugde wordt gezien.
Tegenwoordig hebben we de maatschappij zo ingedeeld dat we werk en vreugde gescheiden hebben. De meeste mensen werken vijf dagen per week om hun salaris te ontvangen en daarmee amuseren ze zich dan in het weekend. Werk op zich is dus geen vreugde; vreugde staat los van het werk. En we hebben dat als normaal geaccepteerd, als heel natuurlijk in het leven, zoals we ook het feit hebben geaccepteerd, dat ik mijn verlangens door mijn relaties moet vervullen. We zijn bang voor het alleen zijn en om met die angst om te kunnen gaan gebruiken we relaties voor het opvangen van die eenzaamheid. We zijn ook bang voor de toekomst en daarom verzamelen we bezit. We verzamelen dingen en zijn er aan gehecht, zodat we in de toekomst veilig zullen zijn. We zijn bang om niemand te zijn, omdat we voelen dat niemand dan naar ons zal omkijken, dat niemand voor ons wil zorgen. Daarom jaag ik positie, status en macht na zodat ik iemand ben en mensen me niet voorbij kunnen lopen.
Dat is de conditionering waarin het denken opgesloten zit. En zo lang dit door gaat is een conflict onvermijdelijk. Ik moet dus uitzoeken of het mogelijk is om niet uit angst een relatie aan te gaan. Er is een prachtige passage in “De Profeet” van Kahlil Gibran in het hoofdstuk over vriendschap. Hij zegt:
@ “Laat je vriendschap geen andere bedoeling hebben dan een verdieping van de geest. Want de liefde die iets anders zoekt dan de openbaring van haar eigen mysterie is geen liefde, maar een net dat uitgeworpen wordt; en alleen het waardeloze wordt gevangen.”
De Profeet zegt dat je wel kunt denken dat datgene wat je via het net van profijt vangt je iets oplevert, maar dat is een illusie. Wat je opvangt geeft geen profijt. Want zo lang je het leven op die manier benadert, zul je niet weten wat liefde is. Liefde wordt vernietigd door het proces van het ego. Het proces van het ego is het proces dat altijd iets zoekt waar het wel bij kan varen of waar het aan kan verdienen. Het bestaat omdat we denken dat we er baat bij hebben om met het ego te leven. Maar de Profeet zegt dat we als we op die manier leven, we er niets bij winnen.
Ik moet dus ontdekken of er een energie is, die niet egoïstisch is, of word ik altijd alleen maar gestimuleerd door verlangen, verdienste, gewin, voor iets wat ik er voor terugkrijg. Zo lang dat motief er is, is er geen relatie uit liefde.Als je de vraag kunt beantwoorden waarom je van je vrouw houdt, dan houd je niet van haar. Maar als je echt niet weet hoe je die vraag moet beantwoorden en je zegt, ik weet niet waarom ik van mijn vrouw houd, ik houd gewoon van haar, dan is het misschien liefde. Maar als je zegt: ik hou van haar omdat ze mooi is, omdat ze goed kookt, omdat ze voor mijn kinderen zorgt, omdat ze altijd voor me klaar staat als ik moe en ziek ben, dan gebruik je haar voor je eigen comfort. Ik zeg niet dat er niet een geven en nemen in relaties zou moeten zijn. In alle relaties is er op een heel natuurlijke wijze geven en nemen. De vraag is of de relatie daar op gebaseerd is. Wanneer die daarop is gebaseerd, dan is het zoiets als een zakelijke relatie, een overeenkomst. En een liefdesrelatie is geen zakelijke overeenkomst.
Ik wil dus mijzelf gadeslaan hoe ik alles in het leven benader. Als ik alles egoïstisch benader is conflict onvermijdelijk. Ook in de relatie met mijzelf, want zoals ik eerder heb gezegd, ik ben het resultaat van het verleden. Een miljoen jaar biologisch verleden die mijn instincten voortgebracht hebben; duizenden jaren cultureel verleden, die mij culturele ideeën gegeven hebben. De psychologische herinneringen sinds mijn kinderjaren, zijn ook in mijn geheugen opgeslagen dat alles is aanwezig in de hersenen, in het geheugen. Dat is wat aangeduid wordt met: het ik. En ik kan dat niet wegpoetsen. Het is iets wat bestaat. Dus moet ik mijzelf de vraag stellen: wat is mijn relatie met dat ding in mijn hersens dat ze geheugen noemen. Ik kan dat niet veranderen, omdat dat het resultaat is van het verleden. Zoals ik mijn hand niet kan veranderen, zo kan ik ook het geheugen in mijn hersenen niet veranderen. En mijn hersenverstand produceert van daaruit een antwoord. De vraag is: ben ik een slaaf van dat antwoord? Moet ik me er mee identificeren, of kan ik er naar kijken en er vrij van zijn?
Ik moet ook vragen of er conflict is in de relatie met mij zelf. Als ik daar naar kijk, dan merk ik ja, er zijn een paar dingen die ik niet prettig vind van mezelf. Ik zou wel willen dat ze er niet waren en daarom is er conflict tussen wat ik ben en wat ik zou willen zijn. Ik moet dus ook vragen, kan ik deze entiteit, die ik ik noem, ook als vriend benaderen? En niet oordelen, niet onderdrukken, niet bevechten, niet zeggen dat het op deze manier zou moeten zijn en niet op een andere manier. Want anders is er conflict onvermijdelijk.
De enige manier om een eind te maken aan een conflict, zowel innerlijk als uiterlijk is om alles als een echte vriend te benaderen. Al die dingen zijn ook op dezelfde manier ontstaan in de natuur, zoals ik ontstaan ben. Zij bestaan, zij leven een bepaalde tijd en zij houden op te bestaan.
Niet alleen de levende dingen zoals planten en dieren en mensen, maar ook niet levende dingen zoals bergen en sterren. Ze leven misschien wat langer, maar ze ontstaan, leven en sterven.
Maakt mijn denken een fout door zich in te beelden, dat alle andere dingen er zijn om op de een of andere manier in mijn behoeften te voorzien ? Beschouw ik ze daarom niet als vrienden en collega’s, als andere medeschepselen die, net als ik, dit leven delen? Misschien is dat wel de illusie van het denken.. Waar komt die belangrijkheid vandaan die ik aan dit hersenverstand van mij geef? Het is toch maar één van de breinen van de mensheid?
Als iemand ons een computer cadeau zou doen, die geprogrammeerd was om boekhouding of zo iets dergelijks te doen, dan zouden we die gebruiken als we wilden boekhouden en we zouden hem afzetten wanneer we hem niet nodig hadden. Het verstand is ook een ingewikkelde computer die we cadeau kregen bij onze geboorte en die geprogrammeerd is. Gedeeltelijk geprogrammeerd voor mijn geboorte door de genetica en gedeeltelijk geprogrammeerd door de ervaringen van af mijn geboorte. Waarom word ik een slaaf van deze computer? Waarom kan ik hem niet behandelen zoals die andere computer, hij is me toch bij mijn geboorte gegeven? Als ik dat wel kon zou ik, hoewel hij een programma heeft en geconditioneerd is, er vrij van zijn. Maar ik identificeer me met deze computer, ik noem hem het ik en dan worden zijn verlangens, zijn bezwaren, zijn voor en afkeuren, mijn verlangens en het wordt mijn doel in het leven ze te vervullen. En dan ontstaat daaruit verdeeldheid en daar komt weer conflict uit voort.
Vert. EKB