Serie lezingen gehouden door professor P. Krishna op het ITC in Naarden, in maart 2005
T770
P. Krishna
VERKENNINGEN MET BETREKKING TOT DE LERINGEN VAN J. KRISHNAMURTI
Lezing 3: Liefde, Relaties en Verantwoordelijkheid
In de eerste lezing onderzochten we de relatie tussen het individu en de maatschappij en de betekenis van Krishnamurti’s uitspraak: Jij bent de wereld. We zagen dat de wereld is zoals hij is, omdat wij zijn zoals wij zijn en dat er daarom geen fundamentele transformatie kan plaatsvinden in de maatschappij tenzij er een transformatie binnenin ons bewustzijn plaatsvindt; dat de onenigheid die we om ons heen in de samenleving zien een projectie is van de onenigheid die in ons bewustzijn aanwezig is en dat die nooit opgelost kan worden door controle van buitenaf, door wetgeving enzovoort, wat precies is wat regeringen proberen te doen. Dat wil niet zeggen dat ze het niet zouden moeten doen; maar alleen dat het noodzakelijk is maar niet voldoende. Als je dat echt inziet, niet alleen met het verstand, maar als je werkelijk voelt dat wij de wereld zijn, dan betekent dat tevens dat we verantwoordelijk zijn voor alles wat er in de wereld gebeurt. Daarom is het ook onze verantwoordelijkheid om een einde te maken aan de onenigheid in ons bewustzijn. Daar spraken we over in de tweede lezing. We spraken over de kunst van het leren en stelden dat er twee soorten van leren zijn. Er is leren als een opeenstapelen van kennis, een uitbreiden van het geheugen, een aanleren van vaardigheden, waarvoor inspanning en oefening nodig zijn en wat iets is dat je steeds verder kunt uitbreiden. En dat is iets heel anders dan het leren dat we zelfkennis noemen, welke de kennis is die voortkomt uit iemands waarneming van wat wáár is en wat onwaar is. We zagen dat de kennis die we uit boeken halen onze ideeën kunnen veranderen en ons een zekere vaardigheid van denken of handelen brengt, maar dat zij het bewustzijn niet transformeert. Daarom is dat niet het middel waardoor je tot orde in je bewustzijn kan komen, en de religieuze zoektocht is een zoektocht naar het beëindigen van de onenigheid in het bewustzijn. We zeiden dat die onenigheid voortkomt uit illusies en we onderzochten de verschillende vormen van illusies waarmee we leven en die we verwerven in het proces van opgroeien in een bepaalde cultuur, in een bepaald land, enzovoort. Zo spraken we dus over die zoektocht naar waarheid. Wanneer je de waarheid waarneemt, komt er een einde aan het onware, aan de illusie. En dat brengt in feite een verandering in het bewustzijn teweeg en draagt daarom bij aan wijsheid. Wijsheid is iets anders dan kennis, omdat kennis alleen de denkbeelden verandert, het intellectuele bezit in je hersenen, terwijl wijsheid het bewustzijn transformeert en de manier waarop men met anderen in verband staat in het leven transformeert. Het is een werkelijke verandering, niet slechts een intellectuele verandering.
Nu wil ik graag deze hele kwestie onderzoeken van conflicten in relaties en in verantwoordelijkheden, en of we eigenlijk wel weten wat liefde is. Niet de liefde waarover we het hebben in de samenleving, maar de liefde waarover de Boeddha of Jezus of Krishnamurti spraken --- de hoogste, zuiverste vorm van liefde. Ik wil dat doen op de wijze zoals we zeiden dat het gedaan moet worden om tot zelf-kennis te komen, dat wil zeggen, niet door boeken te lezen of door te zeggen wat de Bhagavad Gita of de Boeddha of Krishnamurti erover gezegd hebben, maar door te beginnen bij ons eigen dagelijkse leven, door in onze relaties te observeren hoe conflicten ontstaan, hoe het gevoel van verantwoordelijkheid zich ontwikkelt, en dan fundamentele vragen te stellen. Om een einde te maken aan een conflict moeten we begrijpen wat de oorzaken zijn van conflict binnenin ons eigen bewustzijn, en of die voortkomen uit een of andere illusie, uit een of andere illusoire benadering in onszelf en we moeten dat doen alleen en uitsluitend om onszelf en het leven te begrijpen. Krishnamurti stelde dat de benadering vaak belangrijker is dan de vraag die je stelt, omdat zij bepalend is voor de kwaliteit van het antwoord dat je denken zal vinden. Als we een heel oppervlakkige vraag stellen, krijgen we ook een heel oppervlakkig antwoord, en als je daarmee tevreden bent, blijft je denken ook oppervlakkig. Dus daar moet je voor oppassen. Niet alleen moet een vraag de juiste vraag zijn die men stelt, een diepe vraag, maar ook is van belang hoe we die vraag benaderen. Dat wil zeggen, ik moet de vraag zelf benaderen met een denkvermogen dat zowel wetenschappelijk als religieus is zonder het wetenschappelijk onderzoek te scheiden van het religieuze onderzoek. Wetenschappelijk in de zin van rationeel, observerend, twijfelend, onderzoekend; religieus in de zin van je bewust te zijn van de beperkingen van het denken en de rede, van niet tevreden zijn met een intellectueel antwoord, van zoeken naar een diepere waarneming en een dieper inzicht, een transformatie van het bewustzijn met een gevoel voor schoonheid, voor het heilige, voor het wonderbaarlijke en natuurlijk met liefde en mededogen voor zover we daartoe in staat zijn. Als je alleen maar rationeel en wetenschappelijk bent, kun je heel hardvochtig zijn en heel beperkt. Als je alleen maar gevoelsmatig bezig bent, kun je verstrikt raken in je eigen gedachten en emoties; die kunnen romantisch zijn, en ons daarom de werkelijkheid uit het oog doen verliezen doordat we onze toevlucht zoeken tot een plezierige illusie. Dus we hebben beide kwaliteiten nodig, en we moeten ze met elkaar in evenwicht houden, aan banden leggen. Daarom is het ook een kunst. De kunst van het leren is iets op die manier te benaderen en niet afhankelijk te zijn van iemand anders bij je onderzoek of voor het vinden van het antwoord. Dus wil ik graag in die geest bezig gaan en mijn zoektocht onder woorden brengen naarmate ik verder ga. Krishnamurti noemde het een dialoog houden met jezelf. Laat ik proberen een dialoog met mezelf te houden bij het onderzoeken van deze vraag hoe conflicten ontstaan binnen onze relaties. De oorzaak van conflict in mijn bewustzijn is ook de bron van conflict in de wereld buiten mij. Dus wanneer we onze persoonlijke problemen begrijpen, begrijpen we tegelijk ten diepste en fundamenteel de problemen van de wereld. Daarom is dit niet een egoïstische bezigheid. Wanneer je probeert je bewustzijn te begrijpen, is dat niet slechts om alleen je eigen problemen op te lossen. Daar kan het wel mee beginnen. Maar wanneer je diep in je eigen problemen duikt verschillen die niet van de problemen van andere mensen, omdat die problemen voortkomen uit dezelfde bron. Wat er ook gebeurt in ons bewustzijn, gebeurt ook in het bewustzijn van ieder ander mens, om dezelfde reden als het in dat van ons gebeurt. Dat is wat het betekent als we zeggen dat het geheel van het bewustzijn van de mens één is en dat we allemaal hetzelfde bewustzijn delen, hoewel het zich anders kan manifesteren in ons bewustzijn op een bepaalde tijdstip. Het probleem dat vandaag bij mij naar boven komt in mijn denken kan veroorzaakt worden door een bepaalde begeerte, maar de hele mensheid kent het probleem van begeerte. Dat is wat er gezegd wordt. Dus wanneer ik begeerte begrijp door te kijken naar mijn eigen persoonlijke probleem, dan is dat niet alleen om mij eigen probleem op te lossen, maar ook om het menselijk bewustzijn te begrijpen.
Je begint dus heel gewoon met naar je eigen leven te kijken met deze vraag in gedachte. De vraag geeft slechts het gebied aan waarbinnen dit onderzoek gedaan wordt. Dus ik vraag mij af, wat bedoelen we met relaties? Ik zie in dat ze daar in de samenleving gewoonlijk mee bedoelen dat je tot dezelfde familie behoort, dan ben je aan elkaar gerelateerd. Maar ik ben niet geïnteresseerd in alleen maar de relaties met mijn naaste verwanten. Dus vraag ik, wat betekenen relaties in een bredere context? En ik ontdek dat ik een relatie heb met bijna alles om mij heen, vanaf de eerste dag dat ik geboren werd tot de dag waarop ik sterf. Alles wat een reactie bij mij oproept in mijn bewustzijn, daarmee sta ik in relatie. Daarom heb ik een relatie met de sterren en de hemel, met de bomen, met de hond om de hoek, ik heb een relatie met mijn medemens, ik heb een relatie met een boek en met kennis. Zodat, als ik dus op deze wijze naar relaties kijk, het hele leven een en al relatie is. Het houdt ook in dat je in relatie staat met je eigen gedachten en met je eigen lichaam. Aangezien ik wil onderzoeken hoe conflicten ontstaan in alle relaties, begin ik met de eenvoudigste. Ik vraag mezelf af, is er sprake van conflict in mijn relatie met de natuur. En ik ontdek dat er heel weinig conflict is in mijn relatie tot de natuur. In mijn relatie met de hond, met de boom, met de sterren in de hemel, met het weer, is er heel weinig conflict. Soms kan zij verwoesting met zich meebrengen, omdat er een storm is, een aardbeving, een cycloon, die ook deel uitmaken van de natuur. Maar ik voel me er niet beledigd door, ik voel me er niet kwaad over, omdat ik weet dat het niet met opzet gebeurt. De natuur doet dat niet opzettelijk. Zo kan een hond naar mij blaffen, maar ik voel me niet beledigd door de naar mij blaffende hond, omdat ik denk dat hij er niets aan kan doen, hij besluit niet om naar mij te blaffen. Maar wanneer een mens mij afblaft, dan is dat iets heel anders! Dus ik zie dat. Ik zie dat er geen ego aanwezig is in de natuur, daarom is het gemakkelijk om een relatie te hebben met de natuur. Er is niet veel conflict in iemands relatie met de natuur. Natuurlijk kan ik soms ziek worden en dat kan me ervan weerhouden om naar mijn werk te gaan of mijn plannen dwarsbomen en me daardoor overstuur maken en een zekere hoeveelheid conflict opleveren, omdat ik wel wilde gaan en dat verdraaide weer, die ziekte, verhindert mij om te doen wat ik wil doen. Het is betrekkelijk eenvoudig dit conflict te accepteren, omdat er door de ziekte niet dat psychologisch gevoel van gekwetst of beledigd te worden aanwezig is. Er is alleen het probleem dat een bepaald verlangen van mij niet kan worden vervuld.
Dus vraag ik me af, is er conflict in mijn relatie met boeken, met ideeën? En ik ontdek dat ik bepaalde ideeën leuk vind, dat ik bepaalde boeken leuk vind, en andere niet. Dus geef ik de voorkeur aan bepaalde soorten boeken, aan bepaalde soorten ideeën en ik hecht me daaraan; ik wil ze graag verspreiden, ik voel dat het goede ideeën zijn. En als iemand anders andere ideeën heeft, niet dezelfde ideeën aanhangt als ik, dan veroorzaakt die onenigheid soms conflict. Ik vind dat niet prettig. Dus ik vind het prettig als ik het met een ander eens ben, en onenigheid vind ik niet prettig. Mensen die andere ideeën hebben dan ik, wantrouw ik enigszins. Maar met degenen die het met me eens zijn voel ik een band, ik voel me veilig bij hen, ik vind ze aardig, ze lijken mijn soort mensen te zijn. Dus daar kijk ik naar. Ik kijk alleen, om te leren, niet om te oordelen. Omdat ik bepaalde ideeën prettig vind, wat mij voldoening en plezier geeft, ontstaat daardoor een gehechtheid en uit die gehechtheid komt dit conflict voort of deze verdeeldheid ten opzichte van andere mensen die andere ideeën prettig vinden om dezelfde reden als ik die van mij prettig vind. Ik kom erachter dat wanneer mensen mij steunen, wanneer ze mij helpen bij mijn werk, dat ik dat dan prettig vind. Wanneer ze zich tegen mij verzetten, wanneer ze me in de weg staan, dan ontstaat er conflict. Wanneer ik iets wil en mijn vrouw wil iets anders, en ik sta erop dat er gebeurt wat ík wil en zij blijft erbij dat het moet gebeuren zoals zíj wil, dan hebben we een conflict. Dus ik zie in dat wanneer er een meningsverschil is daaruit conflicten kunnen ontstaan met andere mensen. Dus stel ik nu een diepere vraag: waarom is onenigheid onplezierig en eensgezindheid zo prettig? En ik zie dat mensen die iets met elkaar gemeen hebben, dezelfde ideeën koesteren, de neiging hebben een groep te vormen, zij voelen zich als broeders binnen die groep, ze vinden elkaar aardig, en zij zijn afgescheiden van mensen uit een andere groep die zich net zo voelen vanuit een ander idee, of het nu gaat om hun land, hun religie of hun overtuiging, enzovoort. En dat veroorzaakt conflict op precies dezelfde wijze als het conflict veroorzaakt tussen mij en mijn vrouw of mij en mijn collega. Ik begin nu dus in te zien hoe een conflict ontstaat. Dan stel ik mijzelf de vraag: is dit alles niet onvermijdelijk? Hoe kan ik géén meningen hebben? Uiteindelijk ben ik in een bepaald land opgegroeid, met een bepaalde cultuur, een bepaalde taal, en dat kan ik toch maar niet zomaar allemaal opgeven. Conflicten lijken dus onvermijdelijk. Dus kijk ik naar conflicten in mijn relatie tot de natuur; naar conflicten in mijn relatie met boeken en kennis; naar conflicten in mijn relatie tot mijn medemens. En ik vraag me af, is er een conflict binnenin mij, in mijn relatie tot mezelf? En ik ontdek dat die er is. Ik vind niet altijd alles van mezelf prettig. Er zijn bepaalde dingen die ik wel graag zou willen veranderen. Ik wou dat ik niet zus of zo was. Maar ik kan het niet veranderen. En daarom zijn er delen van mezelf waaraan ik een hekel heb. En er zijn andere delen die dit deel veroordelen en die hekel veroorzaken en dus is er ook conflict aanwezig binnenin mezelf om dezelfde reden als er conflict is tussen mij en mijn vrouw. Zij vindt iets leuk; ik vind iets anders leuk. En op dezelfde wijze heb ik mezelf verdeeld in twee delen: het ene dat zo wil zijn, en het andere, dat zegt dat ik zo niet zou moeten zijn. Er is dus ook verdeeldheid in mijzelf aanwezig, tussen een deel van mezelf en een ander deel van mezelf. Dit lijkt alles zo rationeel, zo logisch, zo natuurlijk, en je ontdekt dat het bij iedereen zo toegaat. Iedereen heeft dit probleem. Ik ben niet de enige die dit probleem heeft. Dus voelt het haast normaal. Je hebt het gevoel dat conflict natuurlijk is in het leven. Dan komt de waarde van een mens als Krishnamurti of de Boeddha naar voren. Je leest wat zij hebben geschreven en zij zeggen: “Nee, dit is niet normaal. Het kan dan wel algemeen voorkomen, toch is het niet normaal. Het is niet onvermijdelijk. Je creëert zelf het conflict. Er is in werkelijkheid geen conflict. Het is mogelijk om zonder een enkel conflict te leven.” Dus begin ik me af te vragen: benader ik deze hele kwestie fout? Komt dit conflict voort uit de wijze waarop ik het hele leven benader? Is er iets mis met de manier waarop ik dat doe en ben ik me er niet van bewust? Komt het daardoor dat conflicten mij onvermijdelijk lijken, en deel van het leven lijken uit te maken? Wat maken deze mensen duidelijk? Een deel van mij zegt, oh, dat is filosofie, weet je, die is bedoeld voor de religieuze mensen. Ik ben een werelds mens, ik moet werken, naar mijn kantoor gaan, enzovoort. Wat hen betreft, zij zijn nooit getrouwd, zij weten niet wat een conflict met een vrouw is, enzovoort. Maar ik twijfel ook. Ik zeg, wel Krishna, ben je bezig je te verontschuldigen voor de manier waarop je bent? Leg je zomaar voor de vuist weg dingen uit? Dan betekent dat dus ook dat je er niet echt in geïnteresseerd bent om dit probleem op te lossen. Dus die twijfel heb ik ook, in mezelf. En ik blijf bij die vraag: benader ik het verkeerd? En zo ja, wat kan er dan mogelijk verkeerd zijn? Ik blijf bij die vraag, en peins erover, mediteer erover, denk erover na, je kunt er elk woord voor nemen dat je wilt. Blijf bij die vraag; vind geen antwoorden in de Boeddha of in de Bhagavad Gita, of verlies je niet in een of andere verklarende theorie. Accepteer geen enkele verklaring. Dan plotseling begint het je te dagen en ik vraag mezelf af: Krishna, benader je het leven als een bedelaar? Altijd maar iets voor jezelf vragen? Je wilt dat het weer je goedgunstig gezind is, je zou helpen te doen wat je gepland hebt te doen. Maar het weer bestaat niet om jou in staat te stellen dingen te doen. Het is een onderdeel van de natuur net zoals je zelf een onderdeel van de natuur bent. De andere delen van de natuur zijn niet geschapen voor jou. Benader je de natuur dan als een bedelaar? Waardeer jij altijd een boom om wat hij jou kan geven? Vind je het fijn de natuur in te gaan omdat dat je denken tot rust brengt? Of sta jij in relatie tot de natuur alsof het je vriend is? Als je een vriend bent, deel je, je gebruikt elkaar niet. Ik ben ook een deel van de natuur. Er zijn levende vrienden en niet-levende vrienden, de bergen, de rivieren. Zij maken ook deel uit van dit hele mysterieuze verschijnsel van het universum en de natuur, waarover wetenschappers praten en een klein deeltje daarvan ben ik. Dus deze hele wereld is voor mij gemaakt, of is dat mijn aanname? Neem ik aan dat het allemaal ten gunste van mij moet zijn. Waarom neem ik dat aan?
Benader ik dus alles als een bedelaar? De bedelaar op straat is eerlijk. Hij zegt, ik heb geld nodig, ik heb geen baan; geef me alstublieft geld, als je kunt. Hier is een hoed of een blikje waarin u een munt kunt doen. En als je er een munt in doet, dan zegent hij je. Als je er geen munt in gooit en wegloopt ... als hij een goed mens is, dan wenst hij nog steeds het beste; zoniet, dan zal hij je vervloeken. Ik vraag me af: draag ik ook zulke kommen met me mee? Alleen zijn mijn kommen onzichtbaar. Ik laat ze niet aan andere mensen zien. Maar ik draag ook zulke kommen. Een kom die zegt: ondersteun mij. Een andere kom die zegt: geef mij vreugde. Een derde die zegt: geef mij promotie, geef mij voorspoed. Een vierde die zegt: geef mij comfort, geef mij troost. Een vijfde die zegt: geef mij aanmoediging, geef mij waardering. En wanneer iemand iets in mijn kom gooit, dan zeg ik, een vriend. En wanneer hij iets uit mijn kom neemt, vervloek ik hem, ik zeg, vijand! Dus zie ik dat ik in werkelijkheid helemaal niet zoveel verschil van die bedelaar. Alleen is hij heel eerlijk, hij zegt openlijk dat hij geld nodig heeft, en ik zeg niets, maar ik draag ook de hele tijd die kommen met me mee. Zo begin ik te zien dat, zolang ik het leven als een bedelaar benader, conflict onvermijdelijk is. Sympathie en antipathie zijn onvermijdelijk. Verdeeldheid tussen vrienden en vijanden is onvermijdelijk, omdat degenen die jou steunen, die voor jou gunstig zijn, je aan hen zult hechten en er een band mee aangaan, en degenen die zich tegen jou verzetten, die jou in de weg staan, die zul je aan de kant willen schuiven. Dat is de bron van geweld, dat is de bron van verdeeldheid. En waar verdeeldheid is, daar is conflict, daar is geweld.
Ik onderzoek dus. En ik zeg, nou, dan moet ik mezelf afvragen, is het mogelijk zonder enige kom te leven? Is het mogelijk relaties aan te gaan zonder iets voor mezelf te vragen, vanuit die relatie? Nu kom ik in diepere wateren. Nu stel ik echt de religieuze vraag. Ik vraag, is het mogelijk vrij van begeerte te zijn? Wat niet betekent dat ik geen relaties aanga. Als je geen relaties aangaat, dan isoleer je jezelf. Je zegt, omdat relaties conflicten met zich meebrengen, zal ik relaties vermijden. Wat sommige religieuze mensen inderdaad gedaan hebben. Zij zeiden, op het ogenblik dat je dichtbij een vrouw komt, schept dat begeerte, gehechtheid, afhankelijkheid, en dat veroorzaakt conflict. Dus vermijd vrouwen, beoefen brahmacharya en al dat soort dingen. En zij worden monniken of nonnen en vermijden het leven. Maar ik ben niet geïnteresseerd in het vermijden van het leven, maar ik ben er evenmin in geïnteresseerd om conflicten te laten voortbestaan.
Dus moet ik ontdekken. Is het mogelijk om relaties aan te gaan, in de maatschappij te staan en toch geen conflict te hebben? Ik heb gezien dat ik in iedere relatie iets voor mezelf zoek, wat in wezen een egoïstische benadering is. Dus ik ontdek dat het ego een bedelaar is. Het zoekt altijd naar iets voor zichzelf, in iedere relatie, of dat nu op stoffelijk niveau is, of op emotioneel niveau, of op spiritueel niveau. Maar het zoekt iets voor zichzelf in die relatie. En als ik het leven op die manier benader, dan is conflict onvermijdelijk. Dus nu moet ik mezelf afvragen, is het mogelijk een relatie te hebben, die niet gebaseerd is op iets voor jezelf zoeken? Ik heb de gevolgen gezien van het steeds maar iets voor jezelf zoeken, wat de egoïstische benadering is. Ik heb deze hele structuur doorzien. Ik heb gezien dat conflict het logisch gevolg is van dat soort benadering. Dus moet ik gaan ontdekken of het mogelijk is een relatie te hebben zonder haar op deze wijze te benaderen. En ik ontdek dat mensen gesproken hebben over vrij zijn van begeerte, de Boeddha heeft daarover gesproken. Dus onderzoek dat.
Wat is mijn relatie met plezier? Moet ik alle plezier uitbannen? Dat lijkt absurd, omdat alles me plezier geeft. Wanneer ik voedsel eet, geeft me dat een prettig gevoel. Wanneer ik een vriend ontmoet, dan geeft dat vreugde. Wanneer ik ga wandelen, dan doet me dat deugd. Hoe moet je besluiten welke plezierige zaken je moet uitbannen en welke plezierige zaken je moet houden? Plezier en pijn – niet de psychologische pijn, maar fysieke pijn – lijken zo’n normaal deel van het leven. Zij maken deel uit van de zintuigen. Als ik die afsnijd, dan snijd ik het leven zelf af. Dat lijkt dus niet zo slim, lijkt niet echt juist. Ik wil wel leven, maar ik wil ontdekken of het mogelijk is te leven zonder conflict, relaties te hebben zonder conflict. Dus ik speel ermee. Ik sla mezelf gade. Ik kijk wat deze houding van altijd maar iets voor jezelf zoeken in iedere relatie doet met mijn leven, met mijn denken. En ik vraag me af, zijn al mijn relaties gebaseerd op wederzijdse bevrediging? Houd ik van mijn vrouw omdat ze mij vervult, en houdt zij van mij omdat ik haar vervul? Houd ik van haar, omdat ze mooi is, omdat ze lekker kan koken, omdat ze voor mijn kinderen zorgt, omdat ze er altijd is om mij te steunen wanneer ik moe ben of gekwetst op mijn werk? Dan gebruik ik haar om mezelf te vervullen.
Terwijl ik die vraag stel, kom ik op een andere vraag: Wat is liefde? Is dat ook alleen maar wederzijdse bevrediging? Jij komt mij van pas en ik kom jou van pas? Klinkt als een zakenrelatie. Maar mensen hebben over liefde gesproken. Dus ik begin met kijken. Ik begin te kijken of mijn relaties echt gebaseerd zijn op liefde. Of zijn ze gebaseerd op dit geven en nemen? En ik merk dat geven en nemen onvermijdelijk is. In alle relaties is er sprake van geven en nemen. Maar is mijn relatie gebaseerd op geven en nemen? Of heb ik een relatie en dan is er, binnen die relatie, sprake van geven en nemen? Ik heb dus nu een subtielere vraag in gedachte. Is de relatie gebaseerd op het geven en nemen, of is er eerst een relatie, een vriendschap, genegenheid, en is er in die vriendschap en genegenheid sprake van geven en nemen? Dat zijn twee heel verschillende dingen. Als de relatie gebaseerd is op geven en nemen, dan houdt die relatie op te bestaan wanneer je niet langer ontvangt. Daarom is het geen liefdesrelatie; het is meer zoiets als een zakelijke relatie, alleen subtieler, omdat het geven en nemen ook op een subtieler niveau plaatsvindt. Maar de waarde van die relatie wordt getaxeerd in termen van wat ik ontvang op verschillende niveaus van mijn wezen. Het is in wezen een ego-proces. En dan ontdek je dat de Boeddha of Krishnamurti zegt: “Waar het zelf is, daar is de liefde niet”.
Zolang het gebaseerd is op deze berekening, of ik me er nu van bewust ben of niet, is het geen liefdesrelatie. En daarom vroeg Krishnamurti vaak, Meneer, weet u eigenlijk wel wat liefde is? En bij zijn laatste bezoek aan India, was ik op een dag bij hen in Rajghat en hij zei plotseling, met groot mededogen, “Meneer, alle ellende van deze wereld komt doordat we nooit vanuit de grond van ons hart hebben liefgehad”. Dat is alles. Het was geen dialoog. Ik onderbrak hem niet. Dit is alles wat hij zei. En ik beraadslaagde bij mezelf over wat hij had gezegd, dacht er verder over na. En voor mij betekende het dat we ons nooit helemaal bevrijd hebben van de egoïstische benadering. We hebben nooit vanuit de grond van ons hart liefgehad. Nooit zonder reden liefgehad. Wanneer je de vraag kunt beantwoorden waarom je van iemand of iets houdt, dan is er geen sprake van werkelijke liefde. Liefhebben doe je niet om een reden. Net zoals wanneer je goed bent om een reden, dat is geen goedheid. Wanneer je goed bent zonder reden, dan is er sprake van echte goedheid. Dus liefde is een toestand van het denken. Zij richt zich niet op een bepaalde persoon. Het is een toestand van ons denken, waarin men niet iets voor zichzelf zoekt. Als het denken niet langer iets voor zichzelf zoekt, dan is de relatie die er nog steeds is een liefdesrelatie. Maar zolang als ik iets voor mezelf zoek, zal ik altijd afhankelijk zijn van zo’n bepaalde relatie. Ik zal energie blijven stoppen in die relaties die me iets opleveren, enzovoort.
Betekent dat dan dat ik niet iets zou mogen wensen? Brengen wensen ook conflicten met zich mee? Ik wens een vriend te ontmoeten, ik wens een wandeling te maken, ik wens deze lezingencyclus bij te wonen. Als je niet kunt komen levert dat geen enkel conflict op. Als je op een dag niet kunt wandelen, kun je iets anders gaan doen. Het levert geen conflict op. Dus wensen zijn geen egoïstische zaken. Wensen zijn een onderdeel van onze natuur. Zij kunnen geen conflict veroorzaken. Kortgeleden zei ik dat je moet onderzoeken en jezelf moet bevrijden van die illusies in je conditionering die conflict veroorzaken. Dus ik hoef me niet te ontdoen van wensen. Maar waar komt dan die nadrukkelijkheid vandaan waarmee een bepaalde wens moet worden vervuld? Wanneer ik zeg, een bepaalde wens van mij moet vervuld worden, dan wordt het tot een verslaving, en dan noemen we het begeerte. Dus ik moet deze hele zaak begrijpen. Het is iets subtiels. Wat is een wens en wanneer wordt zij tot een begeerte? Waar komt die nadruk op het in vervulling gaan van een wens vandaan? Dus ik kijk naar mezelf. Ik zie dat ik zoveel wensen heb, en het geeft niet als ze niet in vervulling gaan, er gebeurt niets, er is geen groot conflict. Dus dan stel ik mezelf de vraag: Krishna, jij kijkt neer op een alcoholicus omdat de hele maatschappij op een alcoholverslaafde neerkijkt. Maar ben jij ook niet verslaafd aan de vervulling van bepaalde wensen van jou? Waarom maak jij alleen bezwaar tegen een bepaalde verslaving en niet tegen alle verslavingen? Dus nu heb ik een andere vraag. Ik leef met die vraag. Ik zeg, is het mogelijk om alle begeerten net als wensen te koesteren zonder dat ze tot verslavingen worden? Als die zonder enig geweld zonder enige wreedheid kan worden vervuld, dan heb ik er geen bezwaar tegen om die te vervullen. Als zij niet kan worden vervuld, dan heb ik er geen bezwaar tegen haar los te laten en niet vervuld te laten worden. Dan ben ik vrij. Ik hoef begeerte niet te elimineren, ik hoef alleen maar de nadruk op de vervulling ervan te onderdrukken. Dus een begeerte verschilt niet veel van een wens. En het is iets heel subtiels wanneer een wens in een begeerte verandert. En daarom kun je dit niet uit een boek kunt leren of van een goeroe. Wie zal jou vertellen waar de grens ligt waar een wens in een begeerte verandert? Je moet ermee spelen. Je moet het voor jezelf ontdekken.
Als je alle wensen en begeerten weg zou doen, dan zou je je van het leven zelf afkeren. Als je eraan toegeeft, ze najaagt, dan zul je een verslaafde worden, afhankelijk van die bepaalde begeerte, of van een bepaalde relatie om die begeerte te vervullen en dan wordt het een gehechtheid en je bent gevangen. Deze grenzen te kennen, dat te ontdekken, is de kunst van het leren. Het is zelf-kennis, omdat alleen jij kunt ontdekken waar die grens ligt, voor jezelf, door ermee te spelen. Je kunt dat niet van iemand anders krijgen of uit een boek. Net zoals geen enkel boek je kan leren hoe je moet fietsen. Het is een kwestie van evenwicht, je moet op de fiets stappen om te leren fietsen. Je kunt niet leren zwemmen zonder in het water te gaan. Je kunt niet zeggen, ik zal eerst leren zwemmen en dan pas het water in gaan! Geen boek kan je leren zwemmen. Zo kan ook de kunst van het leven niet uit een boek geleerd worden. Je moet het uit jezelf leren, omat het een kunst is. Hoeveel verstand en hoeveel emotie heb je nodig voor een evenwichtig leven? Wie zal me dat leren? Maar je kunt het leren. Zelf leren is veel belangrijker dan ergens in onderricht te worden!
Dus ik vraag mezelf af, weet ik wat liefde is? Opnieuw begin ik met te observeren hoe mensen, hoe wijzelf dat woord gebruiken. Ik merk op dat we zeggen, ik houd van ijs. We spreken over de liefde van een moeder voor haar kind. We spreken van: ik houd van de manier waarop hij tennist. De liefde voor je land. Liefde voor God. En dan ontdek ik dat Jezus en Boeddha ook over liefde spraken. En de Amerikaanse roman zegt, hij beminde haar, en ze bedoelen, ze gingen met elkaar naar bed. Is liefde dan begeerte? Is liefde een smachten naar? Is liefde aantrekking? Is het bewondering? Is het plezier? Is het bezit? Wat is liefde? En is de liefde voor God en de liefde voor een ijsje hetzelfde als de liefde waarover Krishnamurti en de Boeddha spreken? En ik ontdek dat de hoogontwikkelde professoren daarover net zo in verwarring zijn als een mens die geen ontwikkeling heeft genoten. Zij weten wat snelheid is, wat versnelling is, wat kracht is, wat energie is. Zij halen die dingen nooit door elkaar, omdat ze twintig jaar getraind zijn om onderscheid te maken. Maar zij maken geen onderscheid tussen liefde en gehechtheid en begeerte en bewondering. Dus zijn we geheel in verwarring over wat liefde is. Ik ontdek dat ik het niet echt weet. We gebruiken het woord op zoveel verschillende manieren. Wat is werkelijk liefde? In het bijzonder de liefde waarover Jezus en de Boeddha gesproken hebben? Ik ben geïnteresseerd in de religieuze zoektocht. Ik wil uitvinden wat het is. Ik ben er niet zeker van dat ik het weet. Ik kan me er voorstellingen bij maken. Maar dat is slechts romantisch fantaseren en die zal voor mij werkelijkheid worden omdat ik me haar zo voorstel. Maar ik ben me ervan bewust dat het een illusie kan zijn. Illusie is iets wat ik me voorstel, maar wat niet echt waar is. Het kan slechts mijn eigen aanname zijn. Maar ik ben niet geïnteresseerd in aannames. Ik ben niet geïnteresseerd in een mening. Ik ben op zoek naar waarheid. Dus ik zeg, ik weet het echt niet. En Krishnamurti zegt dat ook. Hij zegt, Meneer, je weet echt niet wat liefde is. Hoe zult U dat ontdekken? Ik kan u niet zeggen wat liefde is. Ik kan u geen liefde geven, maar u kunt er zelf achter komen.
Dat ten diepste te ontdekken, de liefde waarover Krishnamurti en Boeddha en Jezus spreken, zegt Krishnamurti, elimineer dat wat niet liefde is, omdat je door je denkproces, door je kijken, kunt weten wat niet liefde is. Maar ga niet zitten te fantaseren en stellen wat liefde is. Je weet het niet. Wanneer je iets niet weet, moet je niet gaan speculeren. Elimineer dat wat je denken in verwarring brengt. Dus verwijder, maak jezelf los van gehechtheid. Ontdoe jezelf van jaloezie, bezitsdrang in je bewustzijn. Wanneer je er diep op in gaat, zul je zien dat zij allemaal voortkomen uit een egotistische relatie, dat gevoel van bezit: mijn vrouw, mijn huis, mijn mening, enzovoort. Onze vereenzelviging met ons ik en het belang dat wij aan ons ik hechten en wat van mij is. Dat is het ego-proces. Dus weer kom ik terug bij hetzelfde: kan ik in relatie zijn zonder er iets voor mijzelf in te zoeken? En ik vraag me af, Krishna, zoek jij altijd iets voor jezelf in iedere relatie of is er althans zo nu en dan een relatie waarin je niet iets voor jezelf zoekt, waarin je geen eigen ambitie hebt? Ik zeg, ja. Soms ben ik zomaar met iemand bevriend, deel vreugde en verdriet zonder iets voor mezelf te zoeken. Soms werk ik in mijn tuin en verzorg een plant, niet om er iets voor mezelf voor terug te krijgen, maar gewoon vanwege de vreugde die dat werk geeft. Ik werk niet altijd om een promotie te krijgen en ik help niet altijd iemand om er iets voor terug te ontvangen. Zo is het denken niet altijd. Dus ik merk op dat ik niet de hele tijd egotistisch ben. Ik doe ook dingen op een niet-egotistische manier. Je kunt dus ook niet zeggen dat ik helemaal niet bekend ben met de toestand die niet-egotistisch is. En dat komt omdat het ego niet iets is dat erin geplant is door de natuur. Het ontstaat door de wijze waarop ik die relatie of die activiteit benader.
Nu ga ik me dus afvragen, kun je niet alles zo benaderen? Is dat niet ware vriendschap? Een ware vriend is niet naar iemand anders op zoek voor zijn eigen vervulling. Als ik een vriend zoek omdat ik me verveel en niets te doen heb, dan gebruik ik die vriend. Is het dan mogelijk om niet verveeld te zijn, nooit een vriend te zoeken omdat je je verveelt of iets nodig hebt? Als je hem uitzoekt alleen maar om het leven samen te delen, zonder iets voor jezelf te vragen, dan is dat ware vriendschap. Dus ik vraag me af, kan ik een ware vriend zijn voor alles, niet alleen voor een ander mens? Kan ik een echte vriend zijn voor een boom? Hem niet benaderen voor wat hij mij geeft? Een echte vriend voor de rivier? Beschouw de rivier niet als een bron van elektriciteit voor mij. Dat kan wel zo zijn, maar ga geen relatie aan met de rivier op die basis. Waardeer de rivier niet om de elektriciteit die je krijgt via de hydro-electrische dam. Dan benader je de rivier als een vriend. Kun je een boek zo benaderen? Kies niet partij voor de schrijver en zet je ook niet tegen hem af. Kijk naar wat de schrijver te zeggen heeft en ga er doorheen. Ik ben het niet eens en ik keur ook niet af. Ik probeer te leren. Ik probeer de betekenis te gissen. Kan ik alles zo benaderen? Kan ik mezelf zo benaderen zonder te zeggen, ik vind dit goed, ik vind dat niet goed? Wees slechts een echte vriend. Laat er in vriendschap een delen zijn van vreugde en geven en nemen. Maar wees geen vriend omwille van het geven en nemen. Het ligt zeer subtiel!
Ik zie dat het mogelijk is met alles in relatie te staan op een niet-egotistische wijze en het is ook mogelijk met alles in relatie te staan op een egotistische wijze. Wanneer ik dat doe ben ik een bedelaar, omdat het ego een bedelaar is. Dus ik heb een heleboel geleerd alleen door te kijken en eerlijk vragen te stellen en ook mijn eigen leven onder de loep te nemen. En dat doe ik niet alleen hier en alleen in woorden. Je moet met zo’n soort mentale instelling leven en naar al je relaties kijken. Laat het niet bij conclusies blijven. Want conclusies hebben geen waarde op zich. Vragen zijn waardevol. En zo te leven met dat soort denken dat er altijd op uit is te leren, dat is wat Krishnamurti het religieuze denken noemt. Dat is het denken dat zoekt naar zelf-kennis, wijsheid.
In een volgende lezing zullen we spreken over onze verantwoordelijkheid ten aanzien van opvoeding. Wat is onze verantwoordelijkheid wanneer we dit alles begrepen hebben? We hebben begrepen dat het noodzakelijk is om kennis en ook zelf-kennis te vergaren. Hoe zou opvoeding er dan uit moeten zien? Hoe moeten wij onze kinderen helpen? Misschien hebben we zelf een verkeerd soort opvoeding gehad. Maar kunnen we, in plaats van daar vanuit een soort luiheid maar eindeloos mee door te gaan, ze op een andere wijze opvoeden zodat zij niet dezelfde handicaps en ervaringen hebben als wij in ons leven gehad hebben? In de eerstvolgende lezing wil ik graag praten over deze verdeeldheid tussen wetenschap en religie --- over het wetenschappelijke en de religieuze denken.
Iedere verdeeldheid is het gevolg van een ergens verkeerd benaderen van het leven. Er mist iets, daardoor ontstaat er verdeeldheid. In de natuur is geen verdeeldheid. Die komt altijd voort uit een verkeerde benadering vanuit onszelf. Daarom wil ik deze verdeeldheid tussen wetenschap en religie, die een grote verdeeldheid in de samenleving geweest is, onderzoeken. Die betekende uiteindelijk ook een verdeeldheid tussen wetenschappers en de Kerk en dergelijke dingen. Dus dat zullen we in de volgende lezing onderzoeken. In deze lezing hebben we geleerd over wat liefde is en hoe, zonder liefde alles tot stof vervalt, omdat alles op conflicten zal uitlopen. Of dat conflict nu een grote oorlog is of een klein conflict op je kantoor of in je relatie, de bron ervan is steeds dezelfde. Het is het gebrek aan liefde. Liefde is waar het zelf niet is. Wat betekent, waar het zelf is, waar een op zichzelf gericht motief aanwezig is, daar is de relatie, geen liefdesrelatie.
Vertaling LG